Succesfactoren bij taalverwerving (NT2)

1529

Hoe verloopt taalverwerving in het inburgeringsproces? Wat is er nodig om de prestaties van cursisten positief te beïnvloeden? Een heel aantal jaren geleden voerde het toenmalige Ministerie van VROM een onderzoek uit naar de taalverwerving van inburgeraars. Hieronder geef ik een vrije vertaling van de onderzoeksconclusies. Al is het onderzoek ondertussen gedateerd, de conclusies kunnen naar mijn idee nog steeds handig zijn voor organisaties die het onderwijs voor anderstaligen willen ontwikkelen.

Wat zijn de succesfactoren bij taalverwerving (NT2)?

  1.  (Natuurlijk) Een goede docent. Een docent met hoge, maar niet te hoge verwachtingen, die het beste uit de cursisten weet te halen. Een docent die zorgt voor goed gestructureerde lessen met concrete doelen en duidelijke regels. Een docent die weet af te stemmen op verschillen tussen cursisten en die zorgt voor een goede sfeer in de groep. Kortom een docent die voldoet aan de Wet BIO (Beroepen In het Onderwijs);
  2. Een grondige intake. Om erachter te komen welk leerprofiel bij de cursist past is de intake belangrijk. Wat is de onderwijsachtergrond van de cursist, wat is het beginniveau en wat is het uitstroomdoel?;
  3. Maatwerk. Na de intake kan voor elke cursist een traject op maat worden uitgestippeld. Dit is nodig omdat de groep inburgeraars zeer divers is. De cursisten komen uit verschillende landen, de één is analfabeet, de ander hoogopgeleid en ook de doelen waar zij naartoe willen werken zijn divers. Hiervoor is maatwerk nodig;
  4. Doelgerichte en gestructureerde aanpak, met heldere uitstroomdoelen en vaste evaluatiemomenten om de ontwikkeling tussentijds te meten;
  5. Binding aan de context; het verbinden van het schoolse leren met praktijksituaties, zorgen voor transfer. Het liefst binnen levensechte situaties, zoals het bezoek aan de tandarts of boodschappen doen op de markt, maar het kan ook middels rollenspellen in de les worden uitgevoerd;
  6. Taalcontact; de taal gebruiken. Dat kan door in de lessen Nederlands te spreken met elkaar en ook door buiten de les te zorgen voor veel taalcontact. Bijvoorbeeld door excursies, taalmaatjes, Nederlandse televisie kijken etc.;
  7. Reflectie; cursisten te trainen in het reflecteren op het eigen leren (wat kan ik al goed, wat wil ik ontwikkelen, hoe heb ik het aangepakt, wat was het effect van mijn handelen, wat heb ik nodig, wie kan ik daarvoor vragen etc.). Cursisten kunnen daarmee hun eigen leerproces bevorderen. De ontwikkeling en de resultaten worden bijgehouden in een portfolio;
  8. Veilige omgeving; de docent zorgt voor een prettige open sfeer waarin iedereen in de gelegenheid wordt gesteld om te leren. Fouten maken mag, vragen stellen is belangrijk en de docent ondersteunt de cursisten in hun leerproces;
  9. Goed lesmateriaal met veel visuele ondersteuning en inzet van multimediaprogramma’s;
  10. Eigen taal. Er zijn sterke aanwijzingen dat cursisten in alfabetiseringsprogramma’s de tweede taal sneller leren wanneer zij instructie krijgen in de moedertaal. Bijvoorbeeld door de inzet van tolken of tweetalige docenten;
  11. Uitvalpreventie en cursistbegeleiding. De docent laat blijken dat aanwezigheid van cursisten heel belangrijk is en biedt goede en motiverende lessen en begeleiding. Daarnaast zorgt de docent voor afwezigheidsregistratie en duidelijke afspraken bij absentie.

Kijk voor meer informatie op: www.proeftuininburgering.nl/succesfactoren/

 


Comments are closed.